Een van de opvallende kenmerken van Japan is dat de bevolking van deze eilandstaat vroeger doodsbang was voor de diepe zee die hen omringde. (Ze zijn deze angst duidelijk te boven gekomen want vandaag de dag is de Japanse marine de vijfde machtigste marine in de wereld.) Honderden jaren nadat de inwoners van Polynesië naar onmogelijk verre eilanden waren gevaren en zich daar vestigden, gebruikten de Japanners nog steeds roeiboten die doen denken aan de slavengaleien uit de oude Sinbad films. Een kaart uit 1780 van de zeereizen van de Franse ontdekkingsreiziger La Pérouse geeft een beeld van de route van zijn schip langs de kust van Japan: Hij zeilde dicht langs de kust en bracht een deel in kaart. Zodra de Samurai op hem af kwamen roeien, zeilde hij weer naar dieper water om vervolgens verderop weer een stuk kust in kaart brengen. Deze langdurige angst maakt Otaru alleen maar interessanter: Dit is de stad waar de Japanners zich voor het eerst verder op zee waagden. Otaru ontwikkelde zich en bloeide door de vracht die werd teruggebracht door de schepen die achter de horizon waren verdwenen. Een tijdlang was deze stad de haringhoofdstad van Azië. De inwoners aten zelfs haring bij het ontbijt. Otaru is de stad die tegen beter weten in bewees dat de diepe, enge oceaan ook veel te bieden had. En kijk hoe knus de huizen zijn die bekostigd zijn door de visvangst.