Als Japan ooit een 'wilde westen' had, dan was het Hokkaido. Helaas zijn alle klassieke filmscènes van samurai die elkaar te lijf gaan met zwaarden nooit zover noordelijk gekomen, maar het beeld van het Westen—open ruimtes vlaktes, plaatsen om te verdwijnen, een echte landhorizon (dat geen enkel ander eiland in Japan heeft)—leeft voort.
Het verafgelegen Hokkaido is zo legendarisch dat het voorkomt in een van Japans belangrijkste historische verhalen: Nadat hij in 1189 een veldslag had verloren, ontsnapte de held Minamoto Yoshitsune aan gevangenneming en onthoofding door naar Hokkaido te gaan (omdat niemand er iets voor voelde om hem zo ver te achtervolgen). Er is een versie van het verhaal waarin hij terugkeerde vanuit Hokkaido naar het vasteland en, als men de karakters van zijn naam anders leest, werd Gin Ke Ka: Genghis Khan.
Hokkaido is de enige plek op de grote eilanden van Japan waar een niet-Japanse cultuur redelijk intact overleeft als identiteit, zo niet manier van leven. De Ainu waren hier het eerste, en zijn vrij gemakkelijk te herkennen; ze hebben een blekere huid en meer haar dan ethnische Japanners. Hoekstenen van de Ainu-cultuur zijn nog steeds: ceremonies waarbij een beer geofferd wordt (niet vaak; beren zijn zeldzaam, ondanks dat er hier nog wel een paar rondlopen omdat dit het wilde westen is), de mooie 'attush' gewaden en een afkeer van rauwe vis. En ze gaan nergens heen. In 1997 erkende de Japanse regering eindelijk het recht van de Ainu’s op hun eigen cultuur. In Hakodate, de hoofdstad van dit noordelijke eiland, krijgt u een voorproefje van die unieke cultuur.